.avif)
Een goed stalklimaat bevordert het welzijn en productiviteit van melkkoeien. Ventileren en koelen dragen niet alleen bij aan de gezondheid van koeien, maar zorgen ook voor een hoger economisch rendement en een langere levensduur van de veestapel.
Een koe produceert van nature veel warmte, voornamelijk via de stofwisseling. Lacterende koeien produceren gemiddeld 2 keer meer warmte dan droge koeien. De warmteproductie is dus sterk afhankelijk van het productieniveau. Bij temperaturen boven de optimale omgevingstemperatuur (tussen-5 en +15 graden Celsius) kunnen koeien slecht hun warmte kwijt, wat leidt tot hittestress. Dit resulteert in een lagere droge stof inname, dalende melkopbrengst, verminderde vruchtbaarheid en hoger risico op uiergezondheidsproblemen.
Niet alleen temperatuur, maar ook luchtvochtigheid speelt een belangrijke rol. Bij een hoge luchtvochtigheid is de lucht verzadigd, waardoor het de warmteafvoer belemmert. De BSC, een multifunctionele besturingskast, van DeLaval berekent het risico op hittestress met behulp van de Temperatuur Luchtvochtigheid Index (THI), die de relatie tussen vochtigheid en temperatuur weergeeft. Uit verscheidene onderzoeken blijkt dat een THI tussen 68 en 72 al duidt op hittestress bij koeien.
Ventileren zorgt in eerste instantie voor luchtverversing en is enkel verkoelend als de buitentemperatuur lager ligt dan in de stal. Koelen gaat een stap verder. Daarbij wordt gebruikgemaakt van water, dat warmte effectiever geleidt dan lucht (wel twintig keer sneller!). Door de verdamping van het water op de huid wordt de koe effectief gekoeld.


.avif)
.avif)
.avif)
Met het Cow Cooling systeem van DeLaval wordt de koe met een grove druppel tot op de huid natgemaakt, waarna de DDF1200 ventilatoren de koe droogblazen, dit op basis van de ingestelde THI. De cyclus blijft zich herhalen totdat de THI weer onder de ingestelde waarde komt. Automatisering zorgt ervoor dat je nooit te laat start met het voorkomen van hittestress.
Praktijkonderzoek toont aan dat ventileren en het koelen van de koeien leiden tot een lager inseminatiegetal, betere klauw- en uiergezondheid en een hogere voerefficiëntie en melkproductie.